Om dichter bij een figuur als Moeder Theresa van Calcutta te komen kan men niet afzien van de gebeurtenis die onverwachts haar levensloop bepaalde en die zijzelf in deze bewoordingen beschreef:
“Toen ik met de trein van Calcutta naar Darjeeling ging voor en retraite, werd ik, terwijl ik een intiem en rustig gebed met de Heer had, een roeping binnen mijn roeping gewaar. De boodschap was duidelijk: ik moest het klooster verlaten en mij wijden aan de dienst van de armen en te midden van hen leven”.
Het was september 1946. In Calcutta heerste nog grote opschudding door de botsingen van een maand eerder tussen hindoes en moslims, bovendien bleven de wezen van de grote
hongersnood van 1943 op straat zwerven, die, ten gevolge van de oorlog verergerd door de moeilijkheden om de hulp te laten aankomen, miljoenen doden had veroorzaakt. Moeder Theresa leidde in India vanaf 1928 een meisjesschool van de Zusters van Loreto, haar congregatie, dat door dochters van Engelse kolonisten en rijke Indiërs werd bezocht en tot dan toe weinig gelegenheden had gehad om de ellende van de stad te ontdekken.
Het betrof geen redenering of een analyse van de toestand. Het was integendeel iets dat zich aan haar opdrong met de kracht en de duidelijkheid van de nood, een fluisteren dat tegen haar zei:
“Er zijn kloosters met een groot aantal religieuzen die zich bezighouden met rijke en bekwame mensen, maar er is er zelfs geen een voor de armsten van de mijnen. Ik verlang vurig naar hen, ik houd van hen. Zul jij weigeren?”. En ook nog: “Jij bent om Mij naar India gekomen. Ben je bang om een stap meer te zetten voor jouw Bruidegom?”.
Haar eerste reactie was zich te onttrekken: “De gedachte om te eten, slapen, leven als de Indiërs vervulde mij met angst... Maar hoe meer ik bad, des te duidelijker werd die innerlijke stem”.
Zij aarzelde ook uit angst dat zij uiteindelijk haar roeping zou verliezen en alleen maar een ex-zuster zou worden:
“Hoe zal ik daarin kunnen slagen? Ik ben een zuster van Loreto en ben daar nog steeds gelukkig mee. Achterlaten wat ik liefheb, en mij blootstellen aan nieuwe taken en een lijden dat niet gering zal zijn, mij een onderwerp zien worden van het gelach van de kant van velen...”.
Zij zou zich spoedig inderdaad midden op straat bevinden, zonder een dak, zonder gezellen, zonder geld, zonder werk, zonder beloften van hulp.
Zij trachtte zich te overtuigen dat zij zich zou inspannen om een vurige en heilige zuster van Loreto te zijn en dat dit haar ware roeping zou zijn, maar het antwoord kwam duidelijk: “Ik verlang Indiase zusters van de liefde, die mijn liefdesvuur zijn onder de armen, de zieken, de stervenden, de laatsten in de straten”.
Zo begon zich in haar geweten beetje bij beetje een zekerheid zich een weg te banen:
“Ik heb het leven van de heilige Francesca Saverio Cabrini gelezen. Zij deed veel voor de Amerikanen, omdat zij een van hen werd. Waarom zou ik in India niet kunnen doen wat zij deed in Amerika? ... Er zijn zoveel – ook heilige – zielen die vurig verlangen zich alleen aan God te geven. De Europese instellingen zijn te rijk voor hen die meer nemen dan krijgen”.
Een roeping dus waarbij twee elementen samenvloeien: zich identificeren met de armsten onder de armen en onafscheidelijk daarvan zich identificeren met de jonge Indiase vrouwen
door een congregatie van Indiase zusters te stichten met de nieuwe zending het leven van de gemarginaliseerden te delen en God te brengen in de afgrond van menselijke ellende.
Er waren twee jaar nodig, voordat Moeder Theresa de noodzakelijke toestemming kreeg om het klooster te verlaten, maar al snel begonnen haar oud-leerlingen haar te bezoeken met zelfs de vraag om bij haar te mogen blijven. De eerste die haar volgde in 1949 was een Indiaas meisje van een gegoede katholieke familie en zij nam de naam zuster Agnes aan, de doopnaam van Moeder Theresa; de familie weigerde, verbijsterd als zij was door die beslissing, vervolgens jaren met haar te spreken.
Het betrof zeker iets nieuws en mogelijk ongemakkelijks, dat ook moeizaam binnen de Kerk moest doorbreken. Dat kan men opmaken uit een verhaal van dezelfde Moeder Theresa: in die periode van twijfels en aarzelingen was zij getroffen door hoge koorts en ijlend droomde zij over de heilige Petrus die haar niet wilde binnenlaten in het paradijs, waarbij hij haar zei dat er daar geen barakken waren. Theresa antwoordde hem woedend: “Prima, ik zal het paradijs vullen met mensen uit de barakken en zo zul jij gedwongen zijn mij binnen te laten”.
Het betreft misschien, onbewust zoals de droom suggereert, een opeisen van een nieuw accent in de manier om het evangelie te beleven binnen een pluralisme van charisma’s.
Zij verlaat het klooster niet uit minachting voor dat type inzet in de scholen, maar omdat zij niet anders kan. Dat vergeten betekent zich verliezen in niet alleen onjuiste, maar ook onvruchtbare en tot niets leidende debatten.
Populariteit en aanvallen
Moeder Theresa moest immers kritiek en polemiek het hoofd bieden, toen haar populariteit groeide. De beslissende fases van haar bekendheid begonnen in 1962, toen Bidhan Chandra Roy, de eerste minister van Bengalen, waarvan Calcutta de hoofdstad is, op weg naar zijn kantoor op de dag van zijn tachtigste verjaardag, werd benaderd door journalisten, die hem vroegen wat zijn gevoelens op dat ogenblik waren. Hij antwoordde niet dat hij had gedacht aan Gandhi, met wie hij gevochten had voor de onafhankelijkheid van India en van wie hij de persoonlijke arts was geweest, of aan zijn vriend Nehru, de eerste minister van de Indiase Federatie, maar hij zei: “Ik heb gedacht aan Moeder Theresa, die haar leven wijdt aan het welzijn van de armen”. De volgende dag stonden die woorden op de eerste pagina van de Indiase kranten.
In 1969 volgde een documentaire van de BBC over Moeder Theresa, verzorgd door de journalist en schrijver Malcolm Muggeridge, met de titel Something Beautiful for God, die haar
buiten India deed leren kennen; vervolgens tien jaar later de Nobelprijs voor de vrede.
Sindsdien begonnen er ook artikelen en boeken tegen haar te verschijnen. Zij werd ervan beschuldigd de armoede meer lief te hebben dan de armen, het lijden te verheerlijken, de oorzaken van de armoede niet aan te vallen, de ontwikkeling niet te bevorderen, zelfs een vrouw met macht te zijn die met ijzeren vuist een multinational met immense winsten leidde. In bepaalde gevallen zou het om aan de kritiek een einde te maken voldoende zijn eraan te herinneren dat zij van een bepaald iets en het tegengestelde ervan werd beschuldigd: voor sommigen liet zij de stervenden gedwongen dopen, maar de aanhangers van Lefebvre protesteerden tegen haar zaligverklaring, die in 2003 plaatsvond, en vervolgens tegen haar heiligverklaring in 2016, omdat naar hun zeggen Moeder Theresa de religieuze onverschilligheid begunstigde in plaats van bekeringen te bevorderen.
Zij zou niet op haar weg verder hebben kunnen gaan, als zij niet onwankelbaar zeker ervan was geweest dat haar roeping een goddelijke was, anders dan alle andere. Dat is de zin van haar stelling, die zij onophoudelijk heeft herhaald ten overstaan van de verbazing die zeer velen hebben getoond voor de grootheid van haar werk: “Ik ben niets. Het is God die alles heeft gedaan”.
Meerderen verweten Moeder Theresa verdraagzaam te zijn tegenover het onrecht waarvan zij getuige was. Zij antwoordde:
“Het komt de grote organisaties toe de middelen en systemen te zoeken die in staat zijn het niveau van het leven van de massa’s die lijden onder onrecht, te verbeteren. Wij hebben dag voor dag contact met mensen die gemarginaliseerd en door de maatschappij zijn afgewezen. Onze allereerste inspanning geldt hen te helpen om een wezenlijk menselijke ontwikkeling te bereiken. Wij spannen ons in om hun de zin terug te geven van de waardigheid die zij als menselijke wezens, nog eerder dan als kinderen van dezelfde Vader, genieten. Dat is de reden waarom wij geen verschil maken tussen wie in doodstrijd verkeert, en wie heel het leven nog voor zich heeft”.
Terwijl de critici zich afvroegen waarom zij de middelen die zij had ontvangen, niet gebruikte om een ziekenhuis te stichten, weerlegde zij dat haar “Huis” bestemd was voor wie op straat leefde, en niet voor de elite. Een ziekenhuis hebben zou uiteindelijk ertoe geleid hebben het te veranderen in een commerciële activiteit met nu juist het uitsluiten van de gemarginaliseerde lagen van de bevolking.
